Concurrentie Italiaans ijs 


Het Italiaanse ijs komt naar Nederland
Hoewel consumptie-ijs al in de achttiende eeuw te koop was in Nederlandse cafés, zou het pas in de negentiende eeuw populair worden bij de elite voor gebruik tijdens feesten en diners.


Banketbakkers hielden zich bezig met ijs
Vooral banketbakkers hielden zich met de ijsbereiding bezig. Aan het einde van de negentiende eeuw gingen ze over tot de verkoop van ijs in hun winkels, in Amsterdam en Den Haag werd ijs ook op straat uitgevent.

De straatverkoop was met name gericht op de werkman en diens kinderen. ‘Fatsoenlijke mensen’ werden geacht geen ijs op straat te eten; zij bestelden ijs als dessert op verjaar- en feestdagen.

Het ijsassortiment van de straatventers was beperkt; vanille en aardbeienijs waren de meest voorkomende soorten. Aanvankelijk werd het straatijs geserveerd in kleine dikke glaasjes, na 1910 werden hiervoor ook wel wafels gebruikt.

In de eerste decennia van de twintigste eeuw nam het aantal banketbakkers dat ijs verkocht sterk toe, terwijl ook lunchrooms en café-restaurants ijs begonnen te verkopen. Een andere trend was de komst van Italiaanse ijsmakers en -verkopers naar ons land.[16]

               Kinderen kochten een 'ijsco' bij venters van ijs


Samenwerking en regulering
De eerste aanzetten tot schaalvergroting vonden plaats tijdens de Eerste Wereldoorlog, toen veel voor ijs benodigde ingrediënten op rantsoen waren,
de prijzen daalden en concurrentie juist toenam. In diverse steden verenigden ijsbereidende banketbakkers zich daarom in ijscompagnieën om gezamenlijk grondstoffen in te kopen en de productie op één plek te concentreren.
Deze samenwerkingsverbanden gingen soms ook over op het gebruik van mechanische koelapparatuur. De in 1916 opgerichte Utrechtse IJscompagnie der Verenigde Banketbakkers van Utrecht en omstreken ‘De IJsbeer’ was de eerste. In de volksmond heette de ijsverkoper al snel de ‘ijscoman’, waar je een ijsco kon kopen, een afkorting van ijscompagnie.

Met de toename van het aantal ijsmakers en ijsverkopers achtte de overheid voorschriften op het gebied van de hygiënische ijsbereiding en de ijssamenstelling noodzakelijk. Vanuit hygiënisch oogpunt was de ambachtelijke consumptie niet optimaal. De Keuringsdiensten van Waren hielden daarom de bereiding van consumptie-ijs nauwlettend in de gaten. Het Consumptie-ijsbesluit van 1929 verschafte de Keuringsdiensten vergaande controle-mogelijkheden en bevoegdheden.

Het bevatte voorschriften voor hygiëne, ijsbereiding, ijssamenstelling (onder andere het percentage melkvet) en controle. Het ijs moest voortaan aan bepaalde bacteriologische minimumeisen voldoen en ijsbereiders dienden te beschikken over een hygiënische, specifiek voor de bereiding van ijs toegeruste bereidingsplaats.
Ook stelde het besluit het gebruik van ijspoeder verplicht. IJspoeder bestond uit een mengsel van suiker (meer dan
80%), weipoeder, magere-melkpoeder en een zetmeelproduct (bijvoorbeeld Elektroscoop) en kon worden samengesteld door de ijsbereiders zelf, door lokale inkoop- en productiecoöperaties of door de suikerindustrie. Het besluit verplichtte elke ijsbereider een vergunning aan te vragen.


Concurrentie van Italiaans ijs en fabrieksijs
In een reactie op het Consumptie-ijsbesluit - en als reactie op het toenemende aantal Italiaanse ijsbereiders verenigden de Nederlandse ambachtelijke ijsbereiders zich in
de Nederlandsche Bond van Consumptie IJsbereiders (NBC).
[17] 
De NBC richtte zich op de hygiëne van de ijsbereiding, op de kwaliteit van het geproduceerde ijs en op het vakmanschap en de scholing van de ijsbereider.
Ook organiseerde ze tentoonstellingen, beurzen en congressen,. 
Zo organiseerde de Bond van 8 tot 10 maart 1938 in het Bellevue-gebouw te Amsterdam de ‘5e Vakbeurs voor het Room- en Consumptie IJsbedrijf Romya ’38’. Vanaf 1954 organiseerde de NBC regelmatig ijsvakbeursen onder de naam 'IJsfrica’.

Hoewel veel koudetechnische kennis uit het buitenland kwam, zat de Nederlandse industrie niet stil. Zo paste het Technisch Bureau Marijnen uit Den Haag Scheveningen Amerikaanse koelmachines als ‘Frigidaire’ en ‘Kelvinator’ voor de
Nederlandse (bedrijfs) omstandigheden en (kleinschalige productie) eisen aan.[19]

Het Consumptie-ijsbesluit van 1929 stimuleerde de oprichting van fabrieken voor consumptie-ijs. Met name stedelijke melkinrichtingen waren actief op dit vlak. De Verenigde Amsterdamsche Melkinrichting (VAMI) was een van de eerste Nederlandse zuivelfabrieken die fabrieksijs produceerden. De onderneming importeerde de benodigde ijsreceptuur en machines uit de Verenigde Staten. Andere melkinrichtingen volgden het voorbeeld van de VAMI. De Rotterdamsche Melkinrichting (RMI) startte in 1932 met de productie van ERMI-ijs, in Den Haag begaven De Sierkan en de ’s-Gravenhaagsche IJsfabriek zich op deze markt en in Amsterdam de AROFA (Amsterdamsche Roomijsfabriek). In Eindhoven ging de Coöperatieve Zuivelinrichting C.M. De Kempen consumptie-ijs maken met de naam Campina.

De melkinrichtingen distribueerden hun ijs via hun eigen afzetkanalen, met name melkwinkels. De industriële consumptie-ijsbereiders, de melkinrichtingen die in de zomer als nevenproduct ijs produceerden, richtten in 1934 een eigen brancheorganisatie op, de NIJFA (de Nederlandsche IJs Fabrikanten, ook wel aangeduid met Bond van verpakt ijs fabrikanten).

De concurrentie tussen ambachtelijke en industriële ijsbereiders was groot en werd gevoerd op het gebied van prijs en hygiëne. De VAMI meldde bijvoorbeeld op haar verpakkingen dat haar ijs ‘veilig’ was, zonder schadelijke bacteriën en goed gecontroleerd. 


Concentratie
Het aantal industriële ijsbereiders daalde in de naoorlogse periode fors. Zo telde de in 1949 opgerichte Nederlandse Vereniging van Consumptie-ijsfabrikanten (NVC) - de opvolger van de NIJFA aanvankelijk ongeveer honderd leden. In 1953 waren dit er vierenzestig, in 1956 veertig, terwijl de organisatie in 1972 nog slechts tien leden telde.
[20] Terwijl het aantal industriële ijsbereiders afnam, groeide de productie, lanceerde de industrie nieuwe ijsjes - waaronder de ijslolly - en verbeterde ze de distributie door gebruik te maken van koelwagens, koelhuizen en vrieskisten.


Distributie
Het distributienetwerk bestond na de Tweede Wereldoorlog uit ijsventers, melkwinkels, banketbakkers, cafetaria’s en ijssalons. In de tweede helft van de jaren vijftig en in de jaren zestig kwamen hier kruideniers, levensmiddelen- en groentezaken bij voorzover ze de beschikking hadden over vrieskisten. Pas in de jaren zeventig, met de brede verspreiding van de 
koelkast en de opkomst van de supermarkt, werd het grootwinkelbedrijf een belangrijke factor voor de distributie van ijs en verdween de ijscoman met zijn karretje naar de achtergrond. De ambachtelijke ijsbereiding bleef echter bestaan en - na een teruggang in de jaren zeventig en tachtig - ontwikkelde zich tot een bloeiende lokale activiteit.

bron: http://www.techniekinnederland.nl

copyright San-Marco-IJssalon.nl © pvc4 2014